Laden...

    Molenverhalen / Co Borsje-de Groot

    Ze werd in 1927 geboren in een bedstee in de Westermolen, in Langerak. Daar was haar vader Klaas molenaar.

    Gepubliceerd op: 06 augustus 2019
    De familie De Groot voor de molen. In het midden dochter Co (Particuliere collectie)

    Ze hadden het thuis niet breed. "Je moet weten: Als molenaar had je een armzalig bestaan. Je verdiende maar vijf gulden per week." Haar vader verdiende bij door bij boeren uit de omgeving te werken. Greppels steken of 'greppelen', noemden we dat. Allemaal met de hand, natuurlijk, want je had nog geen machines. (…) Mijn vader verdiende ook geld met vissen. Met de molen kon je paling vangen. 'Bulen' heette dat. Dan zette hij een visnet, een fuik achter het scheprad. De paling die onder het rad doorging, kwam in die fuik terecht."

    "Palingen met mankementen, die beschadigd waren geraakt, konden we niet verkopen en aten we zelf op. De rest werd verkocht aan een vishandelaar uit de Poort. Henk heette die man. We hadden geen telefoon, maar die man wist precies wanneer hij moest komen. Om paling te vangen moest het namelijk een beetje ruw, raarachtig weer zijn. 'Ik dacht al: Klaas zal wel palingen gevangen hebben', zei hij dan."

    "Mijn vader ving ook paling en andere vis door fuiken te zetten. Die zette hij dan her en der in de polder neer, meestal ver weg van de molen, buitendijks. Daags erna ging hij die fuiken dan lichten. De fuiken stonden vast aan stokken en soms stonden die stokken anders dan dat hij ze zelf had neergezet. Dan hadden anderen zijn vangst gestolen. (…) Soms lieten kinderen op school weleens vallen dat ze paling hadden gegeten. Dan dacht ik: jouw vader heeft vast onze fuik gelicht. Maar iemand ronduit beschuldigen kon natuurlijk niet. Dus je kon er niet veel tegen doen. Gelukkig gebeurde het niet vaak. Het was namelijk een heel gedoe om in het buitengebied te komen. Vissen deden we ook wel met een ‘zeeg’, een net dat je door de sloot trok. Aan het einde van de sloot zette je dan ook nog een net. Zo werd de vis dan opgedreven naar dat net. Ik moest zelf ook weleens helpen trekken. Dat viel niet mee hoor, dat was zwaar werk."

    Soms moest er tot ’s avonds laat gemalen worden. Borsje-de Groot: "Het water dat de molens hier uit de polders maalden, kwam in de rivier de Lek terecht. Werd het water in de rivier te hoog, dan staken ze op de molen in Giessen een lamp aan. Dat was een van de manieren waarop molenaars aan elkaar doorgaven of er gemalen moest worden of niet. Ze hadden geen telefoon, dus dat gebeurde door te seinen. Als wij hier op de molen zagen dat de lamp in Giessen brandde, wisten we dat we moesten stoppen met malen. Dan deed mijn vader op zijn beurt een lantaarn in de wiek. Dat was voor de molen in Groot-Ammers het signaal dat ze ook moesten stoppen met malen."

    "Eénmaal per jaar kwam het polderbestuur op bezoek. Daar zaten boeren uit deze streek in. Sommigen wisten van toeten nog blazen. Dan vroegen ze bijvoorbeeld aan mijn vader: 'Klaas, het heeft zo geregend, waarom maal je niet?' Dan antwoordde mijn vader: 'Omdat er geen wind staat. Als er geen wind is, kan ik niet malen, hè.' Domme vragen, maar ja, zij waren de baas.  Als molenaar was je in dienst van de polder. Je kon er dus niks van zeggen.' 

    Reageren

    Laat een reactie achter 0 berichten

    Reactie achterlaten

    Deze website maakt gebruik van cookies

    Deze website toont video’s van YouTube. Deze partij plaatst cookies (third party cookies). Als u deze cookies niet wilt, dan kunt u dat hier aangeven. U kunt dan geen video’s op deze website zien. Wij plaatsen zelf ook cookies om onze site te verbeteren. Deze gegevens worden niet aan derden verstrekt.

    Deze website toont video’s van YouTube. Deze partij plaatst cookies (third party cookies). Als u deze cookies niet wilt, dan kunt u dat hier aangeven. U kunt dan geen video’s op deze website zien.